Doorgaan naar hoofdcontent

De Balfourdeclaratie: realpolitik of christenzionisme?

Arthur James Balfour
De Balfourdeclaratie markeert een significante mijlpaal in de geschiedenis van de relatie tussen Europa en de Joden. Het document waarin de Britse regering zich bij monde van Arthur Balfour coöperatief opstelt ten aanzien van de creatie van een joods nationaal tehuis in Palestina, werd overal ter wereld door Joden en christenzionisten ontvangen als een erkenning van het joodse recht op terugkeer naar het Heilige Land. Voor die terugkeer werd in christelijke kringen al eeuwenlang gepleit. Welk motief heeft aan dit besluit ten grondslag gelegen? Was het een politiek besluit, of was de christelijke overtuiging van de betrokken politici juist doorslaggevend? In dit stuk zullen we de verschillende opvattingen over de motieven voor de afkondiging van deze declaratie bespreken.

Op 2 november 1917 schreef Arthur Balfour, destijds Brits minister van Buitenlandse Zaken, een brief aan Lord Rothschild, leider van de joodse gemeenschap in Engeland. In deze brief  toonde hij zich bereidwillig  de zionistische zaak te dienen. Deze verklaring was het resultaat van onderhandelingen tussen vooraanstaande figuren binnen de Zionistische Organisatie en de Britse regering in de zomer van 1917. Over de exacte bewoordingen van de tekst is vooraf veel gediscussieerd onder de betrokken leden van de regering en onderhandelingspartners van de Zionistische Organisatie. De uiteindelijke tekst van de verklaring die aan de basis heeft gestaan van de stichting van Israël luidde als volgt:

I have much pleasure in conveying to you, on behalf of His Majesty's Government, the following declaration of sympathy with Jewish Zionist aspirations which has been submitted to, and approved by, the Cabinet.

"His Majesty's Government view with favour the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people, and will use their best endeavours to facilitate the achievement of this object, it being clearly understood that nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine, or the rights and political status enjoyed by Jews in any other country."

Motieven voor de Balfourdeclaratie
Om de Britse motieven voor deze verklaring te beoordelen, is het van belang om de uiteenlopende opvattingen van historici hieromtrent naast elkaar te leggen. Een wijdverspreide opvatting over het Britse motief , is dat de Britten steun wilden werven onder de joodse gemeenschap overal  in de wereld, teneinde de koers van de Eerste Wereldoorlog in een voor Engeland gunstige richting te sturen. De zionisten, die zich intussen hadden verenigd in een samenwerkingsverband en intensief bezig waren om hun beoogde doelstellingen te realiseren, vormden een geschikte representant van de Joden in de wereld. Vele Joden hadden zich immers het idee van een thuisland eigen gemaakt, vooral sinds de pogroms in Rusland de grens van gedogen ver hadden overschreden. Pro-zionistische politiek zou dus een goed instrument zijn voor de Britten.

Volgens James Renton  was het primaire doel van de Balfourdeclaratie  een propaganda-actie op touw  zetten om joodse steun in neutrale landen te mobiliseren{1}. De Verenigde Staten waren een dergelijk land met een groot militair en economisch potentieel welke de Britten broodnodig hadden in die fase van de oorlog. Invloedrijke Joden hadden nauwe banden met de Amerikaanse president, en hoewel ze niet per definitie de zionistische doctrine in zijn totaliteit onderschreven, juichten zij de kolonisatie van Palestina toe{2}. Pro-zionistische politiek, en dus de belofte om zich in te zetten voor de creatie van een joods nationaal tehuis in Palestina, zou het goed doen bij Amerikaanse Joden die op hun beurt hun invloed zouden gebruiken om de president te overtuigen de kant van de geallieerden te kiezen{3}.

De Balfourdeclaratie diende volgens Renton daarom als essentieel propaganda-instrument om de joodse publieke opinie te beïnvloeden. Dit argument sterkt hij aan met de constatering dat er onmiddellijk na de declaratie, een orgaan in het leven is geroepen dat  belast was met een optimale exploitatie van de propaganda, teneinde het pro-Britse sentiment onder de Joden aan te wakkeren{4}. 

Het veroveren van het pro-Britse sentiment onder Joden was echter niet alleen in de Verenigde Staten noodzakelijk. Hoewel deze strategie in het geval van de VS vooral moest resulteren in materiële en financiële steun, waren er ook  redenen om de harten van Joden in Rusland te winnen. In Britse regeringskringen heerste de opvatting dat Russische joden in het kielzog van de Bolsjewistische revolutie vatbaar waren geworden voor socialistische propaganda{5}. Aanvankelijk dacht men niet dat dit gevaar te bestrijden was door pro-zionistische politiek te bedrijven. Na actief lobbyen, wisten de zionisten in april 1917 de kwestie uiteindelijk op de Britse regeringsagenda te plaatsen{6}.

De propagandamachine die al draaiende was om joodse steun in Amerika te werven kreeg met de Russische zorgen een nieuwe impuls om harder te gaan draaien. Tevens waren er zorgen aangaande het pro-Duitse sentiment onder Duitse Joden. Deze zorgen werden uitgesproken door Chaim Weizmann, een prominente Britse zionist en onderhandelaar over de Balfourdeclaratie. Volgens Weizmann zocht de Duitse regering steun bij Joodse financiers in Berlijn, Wenen, Parijs en New York. Dit baarde de Britse regering begrijpelijkerwijs zorgen en leidde tot acceleratie van het onderhandelingsproces over de uiteindelijke tekst van de Balfourdeclaratie{7}.

Britse imperiale belangen
De Britse imperiale belangen als motief, kunnen niet ontbreken in een deze analyse.  Groot Brittannië was destijds een koloniale mogendheid met een verscheidenheid aan belangen op het geopolitieke schaakbord. Men kan er dus vanuit gaan dat een dergelijke grootmacht zijn buitenlands beleid toespitst op het behalen en veiligstellen van zijn eigen belang. De literatuur benoemt dergelijke belangen ook als motief voor de declaratie. Renton noemt de Britse imperiale belangen naast de noodzaak voor het opzetten van een propaganda-actie om joodse steun in Amerika en Rusland te werven, als voornaamste reden voor het varen van een pro-zionistische koers.

Een Britse controle over Palestina zou zijn strategische waarde hebben in de buffer die het zou vormen ten aanzien van Egypte en het Suezkanaal. Deze route was voor Engeland van vitaal belang in verband met de doorgang naar India. Tevens leefde er in Britse regeringskringen de wens om Palestina als een exclusief Brits bezit in de wacht te slepen. Men  veronderstelde dat Duitsland in een naoorlogs Europa, aanspraak zou willen maken op territoria in het nabije Oosten, en dus diende Palestina te worden veiliggesteld als Brits bezit om Egypte tegen rivalen te beschermen. Het opeisen van Palestina als exclusief bezit zou echter een breuk betekenen met het Sykes-Picot verdrag. In dit verdrag hadden  Engeland en Frankrijk alvast de gebieden die buitgemaakt zouden worden op de Ottomanen onderling verdeeld. Voor Palestina was daarin een internationale status toegekend . Frankrijk verzette zich daarom tegen de nieuwe  Britse ambitie.

Groot-Brittannië zag zijn kans schoon om nu zijn zionistische kaart uit te spelen die het als stok achter de deur had en waarmee het de exclusieve Britse controle over Palestina zou kunnen rechtvaardigen. Het zou Palestina namelijk gebruiken voor de creatie van een joods nationaal tehuis, en voor wie daar zijn twijfels over had, zou de Balfourdeclaratie een verzekering zijn van dit Britse streven{8}.

Zo diende de Britse belofte aan de zionisten dus als pretext om de eigen imperiale belangen te dienen. Tevens zou Groot-Brittannië met een dergelijk excuus kunnen voorkomen dat de Britse ambities in Palestina werden gekarakteriseerd als teken van het kruisvaarderschap dat Europa al eeuwenlang achtervolgde. Het streven naar de restauratie van een joods onderkomen in Palestina was in Protestants Europa een nobele zaak. Groot-Brittannië wist deze Bijbelse kwestie goed in lijn te brengen met zijn imperiale aspiraties.

Christenzionisme als motief
Er zijn voldoende historische feiten die de stelling ondersteunen dat de hiervoor genoemde motieven voor het uitvaardigen van de Balfourdeclaratie gegrond zijn en dat elke van de genoemde overwegingen een rol heeft gespeeld in het besluitvormingsproces. Desalniettemin zijn er kanttekeningen bij te plaatsen. Temeer omdat weinig aandacht geschonken wordt aan motieven die buiten het raamwerk van de Britse imperiale doelstellingen vallen.

De Britse geschiedenis kende invloedrijke politici die fervente aanhangers waren van een joodse restauratie op Bijbelse gronden en hiertoe ook aanspoorden. Dit doet de vraag rijzen of hun theologische opvattingen een rol hebben gespeeld bij het besluit om die restauratie via de Balfourdeclaratie te verwezenlijken.

Chaim Weizmann, die hoofdonderhandelaar was over de Balfourdeclaratie en een naaste van Arthur Balfour, was van mening  dat de Britse steun slechts ingegeven was door de erkenning van het “verlangen dat een oud volk had naar het Heilige Land”. Hij verwierp eveneens de assumptie dat Groot-Brittannië de Joden zou hebben geholpen om zijn eigen imperiale belangen te dienen, en stelde dat Groot-Brittannië de Balfourdeclaratie onder één voorwaarde had uitgevaardigd: “That Palestine should not be the charge of Great Britain”{9}. Als Palestina een exclusief Brits imperiaal belang was, waarom werd de declaratie dan door de Italiaanse en Franse regering gesteund, en kon het tevens op steun rekenen in de Verenigde Staten? Waarom werd Frankrijk geacht zijn bezwaren tegen aanpassing van het Sykes-Picot verdrag aangaande de kwestie Palestina in te trekken en konden zij hiertoe gemakkelijk worden overgehaald met het argument dat Groot-Brittannië slechts streed voor een joods nationaal tehuis? Welke belangen had Frankrijk bij de stichting van een joods tehuis in Palestina, in aanmerking nemend dat het ook een koloniale mogendheid was met ambities in het Midden-Oosten en dat het in de verwezenlijking van zijn imperiale aspiraties een concurrent was van Groot-Brittannië? Anders gezegd, waarom zouden we aannemen dat Frankrijk naïef is geweest en niet in staat was door de schijnbaar altruïstische motieven van Groot-Brittannië heen te prikken?

Met bovenstaande vragen wensen we de aandacht te vestigen op de eenzijdigheid waarmee de geschiedschrijving een verklaring tracht te produceren voor de motieven achter de Balfourverklaring. De Britse motieven worden slechts vanuit de realistische theorie gereconstrueerd en laten weinig ruimte over voor de idealistische beweegredenen van de christenzionisten. Zeker als we constateren dat de zionisten hun claim op het Heilige Land op Bijbelse gronden fundeerden en de joodse terugkeer door Groot-Brittannië gerechtvaardigd werd op grond van de historische verbondenheid die de joden hebben met Palestina. De preambule van het Britse Mandaat voor Palestina stelt dat:
recognition has thereby been given to the historical connexion of the Jewish people with Palestine and to the grounds for reconstituting their national home in that country.

Waarom zou Groot-Brittannië als bakermat van het secularisme een claim op een land ondersteunen die slechts op religieuze grondslag bestaansrecht heeft? De behoefte om ontheemde en vervolgde joden een veilig onderkomen te schenken had ook heel goed kunnen worden bevredigd door een joodse staat in Oeganda te stichten, zoals de Britse regering reeds in 1903 had aangeboden{10}. Balfour werd echter door Weizmann overtuigd dat buiten Palestina geen enkel ander land aan de joodse wensen zou kunnen voldoen. De Bijbelse belofte had immers betrekking op Palestina, niet op Oeganda. Balfour gaf vlak voor zijn dood te kennen onder de indruk te zijn van de joodse vastberadenheid om het Heilige Land andermaal te bewonen en dit kan niet louter worden toegeschreven aan Britse realpolitik. We komen meer over de motieven van Balfour te weten als wij constateren dat hij in een memo aan zijn opvolger Lord Curzon het volgende over de Britse belofte aan de Joden schrijft:

For in Palestine we do not propose even to go through the form of consulting the wishes of the present inhabitants of the country. The four great powers are committed to Zionism and Zionism, be it right or wrong, good or bad, is rooted in age-long tradition, in present needs, in future hopes, of far profounder importance than the desire and prejudices of the 700,000 Arabs who now inhabit that ancient land. In my opinion, that is right{11}.

De openhartigheid waarmee Balfour in privéverklaringen over zijn motivatie voor pro-zionistisch beleid spreekt, doet de notie van realpolitik als opperste motief vervagen. De boodschap in dit memo staat tevens in schril contrast met de clausule in de Balfourverklaring, waarin beloofd werd de rechten van de inheemse bevolking te respecteren. De reden voor deze dubieuze contradictie wordt door de memo zelf versterkt, namelijk: “commitment to Zionism”, en het feit dat dit zionisme “of far profounder importance” is dan de “desire and prejudices of the 700,000 Arabs” die woonachtig zijn in “that ancient land”. Een verwijzing naar Palestina als “that ancient land” kan ook alleen in de context van de Bijbelse belofte begrepen worden.

Balfour ontkende overigens  in ondubbelzinnige bewoordingen in een toespraak in het Britse Hogerhuis op 21 juni 1922 dat de declaratie met  louter materialistische overwegingen tot stand was gekomen{12}. Hij beschouwde de vernietiging van Judea door de Romeinen immers als een van de grootste misstanden in de geschiedenis van de mensheid. De Balfourdeclaratie zou deze misstand herstellen{13}.

Sir Mark Sykes, de voorganger van Balfour in de positie van minister van buitenlandse zaken, bevestigde dat hij als christen het zionisme gesteund heeft omdat hij iets wilde doen om de Joden tegemoet te komen in het onrecht dat hen is aangedaan door het christendom. Robert Cecil beschouwde het zionisme als ‘een van de nobelste bewegingen’ van deze tijd en een gerestaureerd joods Palestina zou de eerste positieve prestatie zijn na de oorlog. Sir Charles Webster was de mening toegedaan dat de Balfourdeclaratie niet zou zijn uitgevaardigd, als premier Lloyd George niet buitengewoon deskundig zou zijn in de Bijbel en als zijn minister van Buitenlandse Zaken de zionistische aspiraties niet op Bijbelse grondslagen had gebaseerd. Andere Britse onderhandelaars die bij de totstandkoming van de Balfourdeclaratie betrokken waren, werden ook gedreven door het idee van de Bijbelse restauratie{14}.

Conclusie
Concluderend kunnen we stellen dat er verschillende motieven denkbaar zijn voor de Balfourdeclaratie. De geluiden die veronderstellen dat de declaratie een fijn staaltje Britse realpolitik was zijn ontegenzeggelijk aan te nemen. Tegelijkertijd  kunnen we de impact van de idealistische beweegredenen niet onderschatten, noch kunnen we uitsluiten dat het een combinatie van beiden was. De twee categorieën motieven hoeven immers niet tegenstrijdig te zijn en kunnen simultaan hebben bestaan. Het doel van dit artikel was echter de idealistische motieven zoals commitment aan het chistenzionisme, als plausibele verklaring te presenteren voor een politiek besluit dat tot de dag van vandaag verregaande implicaties heeft voor de wereldvrede. De Balfourdeclaratie kan immers aangemerkt worden als het fundament waarop de staat Israël gesticht is, en de stichting daarvan zorgt al decennialang voor instabiliteit in het Midden-Oosten. Die instabiliteit wordt gemondialiseerd door verzetsgroepen als Al-Qaida die hun strijd onder andere rechtvaardigen met een verwijzing naar de onvoorwaardelijke westerse steun voor Israël.

Door het christenzionisme als motief voor de Balfourdeclaratie te benoemen kunnen we tevens verklaren waarom de westerse steun aan Israël vandaag nog groot is. Het is een consistent motief dat losstaat van veranderende politieke verhoudingen. Realpolitik is daarentegen tijdsgebonden en verklaart alleen waarom de steun in een specifieke periode en onder specifieke omstandigheden is geboden.

Abou Hafs

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. Renton, J. The Zionist masquerade : the birth of the Anglo-Zionist alliance. Palgrave Macmillan, 2007. Blz. 23, 64
2. Friedman, I. The question of Palestine, 1914-1918 : British-Jewish-Arab relations. London Routledge & Kegan Paul, 1973.Blz. 289-90
3. Idem. 265
4. Renton, J. The Zionist masquerade. Blz. 73
5. Idem. 59
6. Idem. 59
7. Idem. 65
8. Idem. 62
9. The Royal Institute of International Affairs. Great Britain and Palestine 1915-1945: Information Papers No. 20. Broadwater Press, 1946. Blz. 9
10. The Royal Institute of International Affairs. Great Britain and Palestine 1915-1945. Blz. 8
11. Adams, M. What went wrong in Palestine? Journal of Palestine studies, 1988. Blz. 73
12. Friedman, I. The question of Palestine, 1914-1918. Blz 290
13. Idem. 290
14. Idem.290

Reacties

Populaire posts van deze blog

De welles-nietes-discussie over stemmen. Hoe nu verder? 

  Door: Abou Hafs       Er is de afgelopen dagen volop gediscussieerd over de islamitische regelgeving met betrekking tot stemmen in parlementaire verkiezingen. Die discussie is niet altijd even netjes verlopen. Er zijn over en weer verwijten gemaakt, en daarom is het op z’n plaats om een appel te doen op beide kampen om die discussie voortaan louter te voeren op de inhoud en daarbij academische standaarden en goed gedrag in acht te nemen. Het pro-kamp moet zich beperken tot een inhoudelijke uiteenzetting van hun argumenten, zonder de tegenpartij te betichten van onwetendheid en opstandigheid jegens de geleerden. Het contra-kamp moet zich eveneens beperken tot inhoudelijke argumentatie, zonder de ander noodzakelijkerwijs te verdoemen tot ongeloof en afgoderij. Allah de Verhevene zegt: “…jouw taak is slechts de verkondiging en bij Ons is de afrekening.” (ar-Ra’d: 40) Kenmerkend voor het debat zoals dat tot nu toe gevoerd wordt, is het gebrek aan diepgang in de argumentatie. Zowel

Is het nu oorlog? Kom maar op!

‘Het is oorlog’, kwekt een gefrustreerde Nanninga op Jalta . En, ‘het is de schuld van de islam’. Van de miljoenen vredelievende moslims in Europa wil ze niks weten. Het kan haar ‘geen reet’ schelen dat er ook aardige mensen bij die club horen. In lijn met de Bush-doctrine verklaart ze de vijandschap aan iedereen die haar vijand niet als zodanig typeert. Want in tijden van oorlog staat nuance natuurlijk gelijk aan heulen met de vijand. Ze is van plan ten strijde te trekken met een wapenarsenaal bestaande uit woorden, rede en ratio. Als moslim zeg ik: ‘kom maar op met die oorlog’. In een strijd die uitgevochten wordt met woorden, rede en ratio maakt Nanninga namelijk geen schijn van kans. Over haar woorden wil ik niet te lang uitweiden. Gescheld, gevloek en getier is het standaard protocol in haar columns en tweets. Niks om als beschaafd burger voor te vrezen dus. Van de rede moet ze het ook niet hebben. Hoe verklaar je anders die schaamteloze generalisering van miljoenen moslims

Wanneer je riooljournalistiek het voordeel van de twijfel geeft

Daar zat Bart Olmer van de Telegraaf tussen collega-journalisten, politici en wetenschappers te luisteren naar mijn lezing over Duurzaam Islamitisch Activisme. Toen hem tijdens de Q&A gevraagd werd om zijn mening, gaf hij aan deze niet te hebben. Begrijpelijkerwijs schoot de zaal in de lach. Telegraaf die geen mening heeft? Daaropvolgend gaf hij meteen te kennen iets van mijn kritiek op de media, zoals verwoord in mijn lezing, te snappen, en deed toen een aanbod voor een paginagroot interview met mij. één van de foto's die voor het interview gebruikt zou worden Dat die pagina vooral beplakt zou worden met foto’s die een bepaalde associatie moesten opwekken, en dat de tekst vooral zou bestaan uit een monoloog waarin de welbekende twee aantijgingen (namelijk deelname aan een demonstratie en het schrijven van een liedje) voor de zoveelste keer werden herkauwd, en dat veel kostbare ruimte besteed is aan het omschrijven van mensen die ik niet persoonlijk ken, ofwel e